Hoofdstuk 1: Voedsel beweegt ons allen

Voedsel is en blijft de basis van ons bestaan. Het bepaalt de wijze waarop we het vergaren, maar vooral de manier waarop we met elkaar samenleven. Dat zit al millennia-lang bij ons ingebakken. Een tweespel tussen vroeger (pre-landbouwtijdperk oftewel neolhiticum) en nu:

Voedsel beweegt ons allen. Alle levende organismen zijn dagdagelijks in de weer met de zoektocht naar voedsel. Predatoren liggen op de loer nabij hun prooien en wachten het juiste moment af om toe te slaan. Herbivoren selecteren het groenste blaadje of het lekkerste sprietje gras. Maar ook planten laten hun wortelgestel groeien om nieuwe bronnen aan nutriënten in de bodem aan te boren. Om nog maar te zwijgen van het bodemleven die al het organisch materiaal omzetten in voor de plant beschikbare nutriënten. De plant die voedsel is voor een grote groep aan herbivoren: van de kleinste schimmel, insect of weekdier tot de grootste vis, vogel of zoogdier. Herbivoren die op hun beurt bejaagd worden door predatoren, die ook nog eens elkaar bejagen. Een ding is zeker: het complexe voedselweb is geen statisch gegeven. Het is constant in beweging. Gedreven door de zoektocht naar voedsel.

Voedsel is ook de drijvende kracht achter de samenwerking tussen organismen. In de Afrikaanse savannes jagen leeuwen in groep om gemakkelijker een prooi te vatten. Kraaien wisselen onderling informatie uit over plaatsen waar ze voedsel kunnen vinden. Maar er bestaan ook samenwerkingsverbanden tussen verschillende soorten. Een bekend voorbeeld is de symbiose tussen wortelknobbelbacteriën (Rhizobium) en vlinderbloemigen. De bacteriën zorgen voor extra nutriënten (stikstof) voor de plant in ruil voor suikers die door de plant worden aangemaakt. Paarden leven eveneens in symbiose met bacteriën. De darmbacteriën zetten het ruwe plantmateriaal om in voedingsstoffen die het paard kan opnemen. Zonder dit fermentatieproces zou het paard verhongeren. Ook de mens leeft in een win-win-samenwerking met meer dan een kilo aan darmbacteriën die helpen bij de spijsvertering. Daarnaast bestaan er ook samenwerkingsverbanden waarbij de ene soort een voordeel opdoet zonder de andere soort te beïnvloeden (commensalisme). De koereiger is dikwijls te vinden in de buurt van kuddes grote grazers zoals koeien, buffels, zebra’s, … Soms reist de reiger zelfs mee op de rug van grote grazers die insecten opjagen tijdens het grazen. De opgejaagde insecten of kleine knaagdieren zijn de ideale snack voor de koereiger. Een andere vogel die meereist op de rug van grote zoogdieren is de ossenpikker. De vogel verwijdert parasieten zoals teken van de rug van grote grazers. Ze verwijderen niet alleen parasieten, door hun schelle roep en door snel op te vliegen waarschuwen ze de grazer bij aankomend gevaar. Toch is hun relatie niet zo rooskleurig. De ossenpikker durft ook de wonden vergroten om bloed te drinken en verwijdert vooral de teken die zich reeds hebben volgezogen met bloed. Dit samenwerkingsverband is eerder voordelig voor de ossenpikker en nadelig voor de grazer. De ossenpikker gedraagt zich als een parasiet.

Wanneer verschillende samenwerkingsverbanden gecombineerd worden, is er sprake van een organisatie. Bepaalde soorten zijn in staat om onderling taken te verdelen om zo efficiënter voedsel te vergaren. Binnen een volk honingbijen wordt aan elke bij een specifieke taak toegekend. De dagtaken variëren van het verzorgen van de larven, het zoeken naar voedsel, het bouwen van nieuwe raten, … tot het beschermen van het nest. De werksters zijn allen vrouwelijk. De mannelijke bijen (darren) kennen maar één taak: het bevruchten van de koningin. De voornaamste taak van de koniging is het leggen van eitjes om haar volk in stand te houden. Een ander insect dat sterk is in het organiseren, is de mier. De mierenkolonie bestaat eveneens uit één of enkele koninginnen die voornamelijk eieren leggen, mannetjes die de koniging bevruchten en werksters die onderling verschillende taken verdelen. De verkenners gaan opzoek naar nieuwe voedselbronnen, voedselverzamelaars brengen voedsel naar het nest, verzorgers bekommeren zich om de larven, soldaten graven nieuwe kamers… Sommige mierenkolonies hebben zelfs slavenhalers die andere nesten aanvallen om slaven te halen. De slaven zijn veelal broed en geen volwassen dieren. Soms onstaat er zelfs een slavenopstand tegen de slavendrijvers. De slaven vertikken het dan om de jongen te verzorgen en doden hen in de plaats. Andere kolonies zoals de gele weidemier hebben luizenkwekers die luizen houden in ondergrondse kamers. In die ondergrondse ‘boerderijen’ produceren luizen honingdauw, een nectarachtige vloeistof, dat de mieren gebruiken als voedsel.

De meest georganiseerde manier van samenleven is die van de mens. De eerste mensen leefden zo’n 2,5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika. Als jager-verzamelaars gingen ze opzoek naar voedsel in de directe omgeving. Ze waren afhankelijk van wat de omgeving hen te bieden had. In het natte seizoen (november tot april) leefden ze eerder als verzamelaars. Hun dieet bestond dan voornamelijk uit vruchten, bessen, noten, eetbare planten en honing. In het droge seizoen was hun dieet vleesrijker. Het vleesrijke dieet vormt ook een verklaring voor de evolutie van onze hersenen. Het calorierijke vlees en beenmerg had veel meer energie te bieden dan de lagere kwaliteit van het plantaardige dieet van apen en mensachtigen. De omvangrijke hersenen van de mens vragen veel energie. In rust gebruiken onze hersenen 20% van onze energie. Ter vergelijking, bij apen is dat 8%. Toch liep de jacht niet altijd van een leien dakje. 2,5 miljoen jaar geleden was er nog geen sprake van pijl en boog, laat staan van speerwerpen. De eerste mens was vooral een aaseter die resten van een karkas verzamelde die roofdieren hadden gedood. De Homo Habilis, oftewel ‘de handige mens’, wist wel hoe hij stenen werktuigen kon vervaardigen. Daarmee konden ze gemakkelijker vlees snijden en botten splijten om aan het beenmerg te kunnen. Maar echte jachtwapens zoals speren met een stenen speerpunt werden pas 2 miljoen jaar later gebruikt. Gelukkig konden de jagers rekenen op hun backup: de plantenverzamelaars. Het dieet van de jager-verzamelaar kon worden aangevuld met wortels en knollen die het hele jaar door beschikbaar waren.

Naarmate het hersenvolume van de mens evolueerde, evolueerden ook de jachttechnieken. De eerste Homo erectus leefde zo’n 2 miljoen jaar geleden. Dankzij een groter hersenvolume kon de Homo erectus betere jachtstrategieën uitdenken. De Homo Erectus (1,55-1,80 m) was een stuk groter dan de Homo Habilis (niet meer dan 1,2 – 1,55 m). Het hersenvolume evolueerde mee met de lichaamslengte. De Homo habilis had een hersenvolume van 600-800 cm³ terwijl de Homo erectus een volume had van 900-1100 cm³. Het is niet ondenkbaar dat beide soorten naast elkaar leefden. De Homo erectus pastte slimmere jachttechnieken toe zoals de renjacht. Omdat de Homo erectus rechtop liep, verloor hij ook snelheid. Maar wie niet snel is, moet slim zijn. Bij renjacht wordt een kudde grazers telkens opgejaagd tot de zwaksten het begeven van uitputting. De mens was niet goed in sprintjes trekken, maar wel goed in joggen. Omdat de Homo erectus groter was en meer rechtop liep, kon hij de kuddes ook beter waarnemen in de uitgestrekte savannes. De mens is bovendien de sterkste zweter van alle zoogdieren. Door de dunne huid en het weinige haar koelt de mens sneller af waardoor het langere afstanden kan lopen zonder te moeten rusten. Dit in tegenstelling tot hun prooien. Grazers koelen namelijk af door te hijgen. Hiervoor moeten de dieren af en toe kunnen stilstaan. Diegene die de voortdurend opgejaagde kudde niet meer konden volgen, vielen ten prooi van de mens. De renjacht was een van de eerste slimme jachttechnieken omdat er geen jachtwapens voor nodig waren.

Het eerste jachtwapen met een stenen punt werd pas 500.000 jaar geleden uitgevonden door de Homo heidelbergensis, de gemeenschappelijke voorouder van de Neanderthaler en Homo sapiens. Voordien werden stenen werktuigen vooral gebruikt om vlees te versnijden. De speer met een stenen speerpunt was een echt omslagpunt in de evolutie van de mens. Het zorgde ervoor dat dieren meer efficiënt gedood konden worden. De mens kreeg hierdoor regelmatiger toegang tot vlees, welke de evolutie bevorderde van de steeds groter wordende hersenen. Bovendien werd het mogelijk om de dieren te doden vanop een afstand. Voordien werden dieren voornamelijk gedood door speerstoten van dichtbij. Botbreuken waren niet ongewoon bij jagers. De jacht werd dan ook vooral uitgevoerd door de grotere en meer gespierde mannen, terwijl de vrouwen voedsel verzamelden en de kinderen verzorgden. Door de speren te gooien vanop een afstand van 10-30 meter liep de mens zelf ook minder verwondingen op van verwerende dieren. Dankzij de speer met een stenen speerpunt kon de Homo heidelbergensis nieuwe ecologische niches verkennen waardoor de beschikbaarheid van energierijk voedsel toenam.

Het groter hersenvolume van de Homo heidelbergensis, 1100-1400 cm³, kan verklaren waarom deze mensensoort in staat was om een stenen mes aan een houten steel te bevestigen. Om het mes te kunnen bevestigen moesten een reeks opeenvolgende stappen doorlopen worden. De gescherpte steen werd met twijgen van planten of pezen van dieren aan de steel bevestigd. Deze bevestiging was echter niet sterk genoeg om het mes aan de steel te houden bij het stoten of speerwerpen. De sleutel tot succes was gebruik van boomhars dat als stevig bindmiddel het geheel bij elkaar kon houden. Om gebruik te kunnen maken van boomhars moest de mens het hars vloeibaar kunnen maken door het te verwarmen. Het beheersen van het vuur was dus, naast de de ontdekking van de nuttige eigenschappen van hars, een tweede bepalende factor in deze belangrijke ontwikkeling voor de mens.

Volgens sommigen is het beheersen van vuur een belangrijkere mijlpaal in de evolutie van de mens dan landbouw of het eten van vlees. Er zijn plaatsen bekend waar fossiele vuurplaatsen werden gevonden die dateren van 800.000 tot  1 miljoen jaar geleden. De vuurplaatsen bevatten verbrande beenderen en assen van plantaardig materiaal. Maar het gebruik van vuur is nog geen bewijs dat de mens toen ook het vuur kon beheersen. Vuur is namelijk een natuurlijk fenomeen waar de mens occasioneel gebruik van maakte. Het bevestigen van een stenen speerpunt met hars is wel degelijk een bewijs dat de mens 500.000 jaar geleden het vuur kon beheersen. 

Het beheersen van vuur was vooral essentieel om te kunnen koken. Koken is een universele culturele waarde van de mens dat ons onderscheidt van eender welk ander wezen op aarde. Het had heel wat evolutionaire voordelen. Na een kookbeurt is het voedsel beter verteerbaar waardoor nutriënten sneller en beter opgenomen kunnen worden. We spendeerden minder tijd aan het eten omdat we veel minder moesten kauwen, kinderen konden sneller zonder borstvoeding, er was meer tijd om te gaan jagen, … Ook het menselijk lichaam evolueerde dankzij het kookproces. Onze kaken zijn veel zwakker dan onze voorouders omdat we minder hard moeten kauwen. Het verteringsstelsel werd een stuk korter omdat de nutriënten efficiënter opgenomen kunnen worden na het kookproces. Dit verklaart waarom ons gelaat smaller en korter is en onze buik platter is dan die van onze voorouders. Maar het belangrijkste evolutionaire voordeel van koken is dat onze energievretende hersenen van voldoende brandstof konden worden voorzien.

Dankzij het koken was de mens in staat om snel en efficiënt voedsel tot zich te nemen. Onze evolutionaire voorkeur gaat dan ook naar energierijk dieet dat gemakkelijk te verteren is: gebakken vis of vlees, gekookte wortels en knollen, zoete honing en fruit… Het water komt de meeste mensen al in de mond bij het ruiken van een stuk gebraden vlees of vis. Voor zoetigheid weet de mens meestal nog wel een extra plaatsje vrij te maken. Vooral de voedingswaren die tijdens de evolutie van de mens schaars waren, zoals vlees en zoetigheden, zijn moeilijk door de mens te weerstaan. De evolutionaire band met schaarse calorierijke voedselbronnen verklaart ook waarom het voor de hedendaagse mens zoveel moeite kost om op dieet te gaan en dit te blijven volhouden. We bezwijken sneller dan we denken voor hetgeen we voorgeschoteld krijgen.

De beschikbaarheid van voedsel is bepalend voor ons eetgedrag. De voorkeur naar bepaalde voedingsproducten is evolutionair bepaald. Dit geldt voor alle mensen: van de allereerste Homo habilis tot de moderne Homo sapiens. Het voedingspatroon van de mens is dus vooral aanbodgestuurd. In tijden van voorradigheid is het moeilijk om de mens de vrijheid te ontnemen door te verbieden om in te gaan op instinctmatige voorkeur naar bepaalde voedingsproducten. In tijden van schaarste zal de mens meer geneigd zijn om zijn voedingspatroon aan te passen en opzoek te gaan naar alternatieven.

In tijden van schaarste was het aanbod van voedsel niet alleen bepalend voor het eetgedraag, maar ook voor de manier waarop de mens samenleefde. Vooral bij primitieve stammen, die een belangrijk aandeel van hun dagbesteding wijdden aan het vergaren van voedsel, stond voedsel centraal in de organisatie van de samenleving. Voedsel dat bijna niet terug te vinden was in het leefgebied van een stam evolueerde in de loop der jaren in een taboe. En dat leefgebied was zeer uitgestrekt. Tot 10.000 jaar geleden zou de populatie mensen nooit meer dan 10 miljoen individuen hebben geteld. Voedsel dat een taboe werd, stond niet langer op het menu. Toch werd het ongegeerde voedsel nu en dan verzameld. Niet voor eigen consumptie maar wel als verzoeningsoffer bij de ontmoeting van andere stammen. Wat voor de ene stam een taboe of onrein was, was voor de andere stam een zeer gegeerd goed. Bij een ontmoeting tussen twee stammen werden goederen uitgewisseld als blijk van wederzijds respect en vertrouwen.

Voedsel bepaalde niet alleen het onderscheid tussen stammen, maar het bepaalde ook tot in de details de sociale organisatie binnen stammen. Stammen waren samengesteld uit verschillende clans. Die clans bestonden uit een groep van 20-50 mensen die elk een leefgebied bestrijkten die groot genoeg was om hun van voedsel te voorzien. Binnen een clan bestonden er heel wat regels rond voedsel. Wie er wat mag eten en het moment dat er gegeten mocht worden waren de fundamenten van de sociale structuur van een clan. Voedsel verdeelde de clan van jager-verzamelaars in twee hoofdgroepen die gescheiden werden door strikte voedingsregels: vrouwen en kinderen die voedsel verzamelden enerzijds en mannen die jaagden anderzijds. Het moment waarop vrouwen en kinderen aten, en wat zij aten verschilde doorgaans van de mannen.

De voedingsregels verschilden van clan tot clan. Het belang van voedsel was destijds zo groot, dat ze een sociale drempel vormden tussen clans. Het was niet evident om het leven in de ene clan op te geven voor een leven in de andere clan. Mannen en vrouwen bleven bijgevolg meestal in dezelfde clan. Omdat de clan vooral bestond uit bloedverwanten, hadden vrouwen seksueel contact met mannen uit andere clans. De kinderen bleven meestal heel hun leven in de clan waar ze waren opgegroeid. Als een man toch besloot om zich aan te sluiten bij de clan van een andere vrouw, dan moest hij de sociale drempel rond voedingsregels overwinnen. Dit deed hij door af en toe bij de clan mee te eten. Bovendien is het samen eten een blijk van respect en vertrouwen voor de voedingsregels en de sociale organisatie binnen de clan. Een oude traditie die beperkte mate vandaag nog steeds gebruikelijk is. De kennismaking met de schoonfamilie vindt dikwijls plaats tijdens een etentje.

Voedsel was niet alleen bepalend voor ons evolutieproces, het bepaalt nog steeds de manier waarop wij samenleven. Ons voedsel draagt een belangrijke culturele waarde. Zo trok de wereld gezondheidsorganisatie zich in 2019 nog terug als sponsor van een globaal evenement dat de volledige omschakeling naar een plantaardig dieet promootte. De reden was dat de millennia aan gezonde en traditionele diëten, die een volwaardig onderdeel zijn van de culturele en sociale samenhang van elk land, op de schop worden gezet bij dergelijke omschakeling van ons dieet. Een standaard dieet voor de hele planeet ongeacht de leeftijd, geslacht, gezondheidstoestand en eetgewoonten is wetenschappelijk onverantwoord.

Tot op vandaag beweegt voedsel ons allen. In tijde van de Coronacrisis komt het menselijk instinct meer dan ooit naar boven. Uit angst voor schaarste ondergingen heel wat mensen een metamorfose naar hamsteraars met verzamelwoede. In het jager-verzamelaarstijdperk zou dit een begrijpelijk gedrag zijn. Maar gelukkig is onze samenleving en de manier waarop we vandaag voedsel vergaren verder geëvolueerd. Door land te cultiveren kunnen we zelfs ons eigen voedsel produceren. De landbouwcultuur tilt onze samenleving naar een hoger niveau. Een mijlpaal waarover in het volgende hoofdstuk dieper op wordt ingegaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *